Dit is het verhaal van Roderik. Roderik heeft een vagina heeft op de plek waar zijn oksel zou moeten zitten. “Een vagina op de plek waar zijn oksel zou moeten zitten?? Hoe zit dat dan? (*)” Voor de duidelijkheid, Roderik heeft een vagina op de plek waar normaliter, nochtans bij normale mensen, een linker oksel zit (voor de kijker rechts). Dit is verder niet relevant voor het verhaal, want het verhaal draait om het feit dat Roderik het op het moment niet zo naar zijn zin heeft op zijn werk. De auteur gebruikt hier zeer bewust ‘zijn werk’, omdat hij walgt, of op zijn minst rillingen krijgt van het te pas en te onpas gebruik van ‘het werk’. Zinnen als “Hoe gaat het op het werk?” en “Nee, ik kan nu niet de boom in, want ik ben op het werk.”, halen het bloed onder zijn nagels vandaan. Vandaar.

Maar goed, Roderik heeft het dus niet zo naar zijn zin op het werk. Roderik is hovenier (tuinman voor vrienden) en heeft al zijn hele leven een hekel aan planten. Niet zo gek dus dat Roderik het niet zo naar zijn zin heeft op het werk.

Planten waar Roderik de grootste hekel aan heeft:

1. Hortensia’s
2. Klimop
3. Coniferen
4. Gras
5. Lindebomen
6. Eikenbomen
7. Kastanjebomen
8. Dennenbomen
9. Overige bomen
10. Bloemen

Een kudde bomen in hun natuurlijke habitat:

Roderik heeft al een hekel aan planten sinds het gymnasium. Dat hele gebeuren met fotosynthese zat hem toen al heel erg dwars. Althans, het stoorde hem mateloos. Bladgroenkorrels die enkel bewonderd worden omdat ze toevallig in staat zijn om met lichtenergie koolstofdioxide om te zetten in koolhydraten. Zum Kotzen vindt Roderik dat. Bij het zien van een plant denkt Roderik dan ook altijd aan hen die zich niet in deze luxueuze positie bevinden: kranten, keien en kanaries (K3). Verdienen die dan geen bewondering? Planten doen Roderik erg veel verdriet.

Onderstaand een foto van een arrogante kutplant. Met z’n fotosynthese…

Roderik stond op een dag in een één of ander plantsoen te leunen op een hark en besloot dat het na twee uur leunen tijd werd om iets te doen. Precies op dat moment klonk het signaal om te schaften. Het signaal had een speciale frequentie dat alleen hoorbaar is voor hoveniers. Het klonk zo:

TOOOOOEEEET

Tijdens het schaften waren Pieter-Willem en Florian-Lodewijk, beide collega’s van Roderik, druk in gesprek. Roderik dacht ondertussen na over hoe het zou zijn om een kano te bezitten en waarom een tafel een tafel heet.

Einde.

(*)De auteur van het verhaal van Roderik vindt dit een uitermate onbeschofte vraag. Het is toch niet normaal om aan een volslagen vreemde te vragen hoe het met zijn of haar kut gaat?